Opbouw


De eerste twee jaar was Mieneke Rosenwald de enige lerares. Zij wordt door wie haar nog gekend hebben een lieve vrouw genoemd. Tijdens het tweede jaar had zij de verantwoordelijkheid over een gecombineerde eerste en tweede klas, twaalf leerlingen in totaal. Het onderwijs vond plaats in de kinderkamer van de familie Van Royen, Euterpestraat 177.

In het derde jaar, waarin zich opnieuw een eerste klas aanmeldde, zou in de kinderkamer niet genoeg plaats meer zijn. Zo werd in 1935 een herenhuis aan de Lairessestraat 153 betrokken. Het is een wat saai pand uit de tijd rond de eeuwwisseling in een aaneengesloten rij. Er is nu een reclamebureau gevestigd. De achtertuin diende als speelplaats, in de grote keuken at het groepje leerkrachten rond het middaguur hun warme maaltijd. Mieneke Rosenwald was inmiddels getrouwd en naar het platteland vertrokken. Mies Wils - later Mies Boeke - nam haar klas over en Joly Schmidt kreeg de nieuwe eerste klas. De onderwijzeressen woonden in de bovenkamers; de conciërge, een oud-marineman, in het souterrain. Eén van de kamers was tot euritmie-zaaltje verheven, er prijkte een harmonium. 

Als mentrix zou Caroline von Heydebrand optreden, een bekend pedagoge in antroposofische kringen. Zij woonde ook boven, maar bleek al snel niet tegen het klimaat in Nederland bestand en reisde weer af. Haar taak werd overgenomen door Max Stibbe - eigenlijk menéér Stibbe. Hij was degene die de naam Geert Groote School bedacht. Omdat hij in die tijd veel over Geert Groote en diens Broederschap des Gemeenen Levens publiceerde. Voorheen heette het de Nieuwe School der Amsterdamsche Vereeniging voor Vrije Opvoedkunst. Stibbe zag in het streven van Geert Groote elementen, die in moderne vorm ook in de antroposofie te vinden zijn. Bovendien had Rudolf Steiner, toen hij lezingen hield in Nederland, gewezen op het belang van Geert Groote voor de geschiedenis van het onderwijs.
Ieder jaar kwam er een nieuwe klas en dus een nieuwe leraar bij. Mevrouw Talsma, Carel van der Willigen, Jan Baggerman, Ans Hezemans en Cees van der Linden waren al voor de tweede wereldoorlog bij de gestaag groeiende school betrokken. Het was een klein groepje dat hevig pionierde, gedreven door een sterk levend ideaal waarvoor men ook bereid was veel te offeren. Enkelen waren oud-leerlingen van de vrijeschool te Den Haag en hadden enige ervaring. Maar het overheersende gevoel uit die jaren was toch dat ieder voor zich ontdekkingen deed, ingroeide, op een klein eilandje. De maatschappij stond niet bepaald te springen om een nieuwe vorm van onderwijs. Subsidie was ondenkbaar. Nu en dan werden er, om het gevoel van gezamenlijkheid binnen het college te bevorderen, kleine uitstapjes gemaakt. Naar het paviljoen in het Vondelpark waar een cabaret was. Of er werd gedanst in het Lido. Toch leefden al deze jonge mensen hun eigen leven, de school was in hun ogen beslist geen commune. Tijdens het middageten in de keuken werd over de kinderen gesproken en het was altijd weer een netelig punt, wie in de winter de kachel van de centrale verwarming zou opstoken en regelmatig kolen scheppen en bijvullen. Er is ook een periode geweest waarin de leraren het middageten te duur vonden (maandelijks f. 15.- (€ 6.80) op een maandsalaris van tegen de f. 75.- (€ 34.00)), zodat dit werd afgeschaft. Velen gingen toen regelmatig op ouderbezoek, niet in de laatste plaats om met het betreffende gezin mee te kunnen eten.
Omdat de school niet werd gesubsidieerd, stamden de meeste leerlingen uit welvarende gezinnen, die zich een voor die tijd hoog schoolgeld konden veroorloven. Maar er waren er ook uit SDAP-kringen, vooral uit Amsterdam-Noord. De enthousiaste ouders uit die gelederen konden meestal geen schoolgeld opbrengen, enkele anonieme ouders betaalden dan dubbel. Alleen de administrateur wist wie niets betaalde en wie tweemaal.
De schoolkeuze was in die dagen een zeer bewuste aangelegenheid en veel ouders waren dan ook intens met het schoolleven verbonden. Dat had ook wel zijn keerzijden. Een kind dat in het speelkwartier was gevallen en zich had bezeerd, kon voor de klassenleraar een fikse confrontatie met de vader of moeder opleveren. Want waarom had die onderwijzer niet beter opgelet? Stoutigheden als belletje trekken of steentjes naar andere tuinen gooien werden ook hoog opgenomen.
Er waren volgens de direct betrokkenen in die jaren ook veel mooie kinderen. Meisjes soms nogal eens een beetje Gretchen-achtig, de jongenmannen leken – wanneer de herinneringen van mijn zegslieden correct zijn - zó uit een stichtelijk jongensboek weggelopen. Archaïsch, noemde een oud-leraar de sfeer uit die tijd. Eigenlijk zou je foto’s of een filmpje uit die dagen ter beschikking moeten hebben om te kijken of die sfeer ook in onze hedendaagse ogen zo was, als de leerkrachten toen beschreven. Maar één ding was zeker. Gebroken gezinnen kwamen in die periode vrijwel niet voor, er was thuis regelmaat en duidelijkheid.
Max Stibbe kwam steeds op Dinsdagochtenden uit Den Haag om in de klassen te kijken. ‘s Middags was er dan een soort studiebijeenkomst waarbij een voordracht van Rudolf Steiner werd gelezen en besproken. ‘s Avonds at hij bij de familie Bienfait, een van de oprichters en weldoeners van de school. Daarna was op school de pedagogische vergadering. Op Dinsdagavond. Een uniek feit in het leven van de vrijeschoolbeweging, omdat Max Stibbe op de traditionele Donderdagavond in zijn thuisbasis te Den Haag de pedagogische vergadering moest bijwonen.
Op grond van wat Stibbe ‘s ochtends in de klassen had gezien en na gesprekken bij de Bienfaits, sprak hij die avond de vergadering toe. Hij was een krachtige, cholerische persoonlijkheid en het kleine groepje leraren, soms aangevuld met belangstellende ouders, kreeg zo nu en dan een ware donderspeech. Een enkele maal waren er echter ook wel lovende woorden.

Lees verder