joodse leerlingen

In de herfst van 1997 werden in de hal van de Geert Groote School de namen aangebracht van twee van onze Joodse leerlingen die in ‘40/’45 zijn omgebracht. Een leerling uit klas 12b maakte er twee gedichten bij. Er was een herdenking op 3 November 1997. Dit artikel van Mark Mastenbroek geeft een toelichting.

Het grootste drama in de biografie van onze school begon toen de bezetter verordonneerde dat joodse leerlingen met ingang van 1 september 1941 alleen nog scholen met een joodse identiteit mochten bezoeken. Wie aanvankelijk misschien nog meende dat het allemaal niet zo’n vaart zou lopen, kon nu concluderen dat deze maatregel het straks wel heel gemakkelijk zou maken om joodse kinderen en dus hun ouders te lokaliseren. Om vervolgens wellicht toch over te gaan tot maatregelen waarover slechts enkelingen hardop dorsten te spreken. Omdat zij de meesten te ongeloofwaardig leken. Zo bleven onze joodse leerlingen geleidelijk weg. Sommigen vertrokken inderdaad naar joodse scholen, anderen doken onder. Leraren van de Geert Groote hielpen enkele ex-leerlingen en hun ouders bij het vinden van onderduikadressen. Het hartverscheurend afscheid bij de trein naar kamp Westerbork, Vught of erger moest nog komen. Een enkele joodse leerling kwam nog af en toe op de oude school en schoof aan bij een les alsof er niets gebeurd was. Omdat de kameraadjes daar zaten. Of omdat hij niet begreep waarom deze school opeens taboe was.

In 1983 werd mij gevraagd om ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum van de Geert Groote School een stukje te schrijven. Als leraar en oudleerling werd ik geacht de biografie van de school goed te kennen. Maar van de jaren vóór 1953, toen ik als leerling werd ingeschreven, wist ik vrijwel niets. Daarom besloot ik een oudleraar te interviewen: Jan Baggerman, van wie ik nog Engels en godsdienstles had gekregen in de onderbouw. Ik koos hem, omdat hij een lange staat van dienst aan mijn oude school had vervuld, maar ook omdat hij me dierbaar was. De verhalen die hij kon vertellen waren adembenemend, niet alleen vanwege de spanning die hij wist op te roepen, maar ook omdat hij in mijn ogen een soort morele integriteit uitstraalde.

Jan Baggerman woonde, inmiddels gepensioneerd, in een landelijk gehucht in het Oosten des lands. De conflicten die eind jaren zestig binnen het lerarencollege van de Geert Groote School een crisis hadden veroorzaakt, hadden bij hem wonden geslagen die duidelijk nog niet waren geheeld. Hij ontving mij als jonge, enthousiaste leraar aan die met historie beladen school, dan ook met enige reserve. Toen het gesprek tenslotte toch op gang kwam, vertelde híj me over de tragedies die zich in de oorlogsjaren rond onze joodse leerlingen hadden afgespeeld. Onder tranen.

Kennelijk was er na de oorlog weinig met die traumatische gebeurtenissen ‘gedaan’. Er werd tijdens de naoorlogse opbouwfase niet zo teruggekeken, laat staan dat het leed werd besproken of verwerkt. Dat laatste realiseerde ik me overigens pas jaren later, tijdens de twee minuten stilte op een 4 Mei, alweer lang na dat interview met Jan Baggerman. Opeens vroeg ik me af waarom wij als school nooit enige aandacht geschonken hadden aan onze in de kampen omgekomen oudleerlingen.

Inmiddels werden er reeds grondwerken verricht voor de nieuwbouw van onze afdeling Voortgezet Onderwijs aan de Fred Roeskestraat. Ik meende dat ergens in dat nieuwe gebouw ‘iets’ zou moeten komen dat aan deze oudleerlingen zou herinneren. Maar wie waren zij? Hoe luidden hun namen? Jan Baggerman was enkele maanden na het interview overleden. Ik besefte opeens dat ik tijdens dat bezoek in het Oosten des Lands, iets belangrijks verzuimd had. Ik had moeten dóórvragen: Wie waren die leerlingen dan? Hoe luidden hun namen? Welke van hen waren uit de kampen teruggekomen en wie niet? De dood van Jan Baggerman maakte mijn gebrek aan tegenwoordigheid van geest definitief, ik kon het niet meer even met een telefoongesprek herstellen.

Mijn pogingen om die gemiste kans enigszins te compenseren, leken aanvankelijk onbegonnen werk. Netwerkend langs nog in leven zijnde oudleraren, ex-leerlingen en hun verwanten leek het wel alsof het verhaal van Jan Baggerman nooit werkelijkheid was geweest. Alleen ex-onderwijzeres Jolie Schmidt die na lang zoeken tenslotte in Engeland bleek te wonen, vertelde mij via de telefoon dat er in haar klas een joods meisje had gezeten, Ruth Lisser, die in Duitsland was geboren, met haar moeder na de machtovername was gevlucht naar Oostenrijk om vervolgens na de Anschluss naar Nederland te komen. Maar in weerwil van het vertrouwen in een goede afloop bij de moeder van Ruth, bleken zij in Nederland uiteindelijk allesbehalve veilig.

Ruth Lisser bleef jaren lang de enige van wie leek vast te staan dat zij op de Geert Groote School had vertoefd en in de kampen was omgekomen. Het leek soms wel alsof voor de betrokkenen uit die jaren, die ik vaak pas na veel omwegen te spreken wist te krijgen, een sluier over het geheugen was gelegd. Begrijpelijk, want de enkele leraren in kwestie waren inmiddels hoogbejaard en de leerlingen waren toen het allemaal gebeurde nog in de basisschoolleeftijd en daardoor niet altijd bewust met dergelijke gebeurtenissen bezig geweest. Er waren ook verrassingen. Een ex-leerling, thans een topmanager die met de toenmalige president van Amerika op voet van gelijkheid overleg pleegde, belde me. Na vele vergeefse pogingen hem te pakken te krijgen incasseerde ik daarbij de tekst: ‘Kom mijnheer Mastenbroek, waar zijn wij nu helemaal mee bezig? Wordt het niet hoog tijd om met dat gezeur over die tweede wereldoorlog op te houden? Laten we toch vooruit kijken en niet voortdurend in het verleden blijven wroeten.’ Namen van joodse klasgenoten wist hij niet.

Ik was te onthutst om nog een zinnige repliek bij te dragen. Dit soort commentaar zou ik overigens nóg enkele malen te horen krijgen. Sommigen moesten echt overtuigd worden over het ‘waarom’ van deze actie, teneinde een instinctieve afkeer tegen al die emoties van vroeger nog een beetje in te dammen. Ik moest diep in mezelf graven om de zin van mijn actie in woorden te vertalen. Ik was begonnen vanuit een soort vanzelfsprekendheid, wat mij betreft móest het gewoon. Mijn motieven onderzoekende, bleek dat ik vooral koerste op de overtuiging dat je als school verantwoordelijkheid draagt ten aanzien van het oorlogsverleden. Natuurlijk kun je niet elke leerling of collega die bijvoorbeeld in het verkeer is verongelukt of aan een ziekte is bezweken, een gedenkplaats geven. Met weggevoerden uit de jaren ‘40/’45 ligt dat principieel anders. Toen was sprake van een politiek-maatschappelijk bestel, dat gericht een bepaalde bevolkingsgroep trachtte te elimineren.

Daarnaast echter, heb je als vrijeschool nog een heel ander soort verantwoordelijkheid. Uitgangspunt van het door Rudolf Steiner ontwikkelde mensbeeld is, dat de individualiteit na de dood voortleeft. En dat het in dit voortbestaan, vooral voor mensen die jong op gewelddadige wijze gestorven zijn, van groot belang is dat de levenden hen op enigerlei wijze in hun gedachten opnemen. Dat is welhaast een voorwaarde voor de overledenen om deze gruwelijke ervaring te boven te komen, te verwerken. Bovendien verandert volgens Steiner na de dood het besef van tijd volledig. Verleden, heden en (tot op zekere hoogte) toekomst zijn als het ware gelijktijdig ‘aanwezig’. Dat houdt tevens in, dat gebeurtenissen die zich in een ver verleden hebben afgespeeld, nog altijd in volle scherpte in het bewustzijn voortleven.

Natuurlijk hoeft niemand zoiets te geloven. Maar deze visie heeft wel rechtstreeks te maken met de identiteit van de Geert Groote School, nu het Geert Groote College. Als Steiners opvattingen juist zijn, betekent dit, dat het niet verwerkte leed van weleer eigenlijk nooit ‘voorbij’ is. In die zin is het dus ook nooit ‘te laat’.

Drie jaar na het begin van mijn zoektocht bevond ik me als reisleider vóórin een volle touringcar, ergens tussen Modena en Piacenza en hield een praatje voor de microfoon. Eén van de passagiers was Wil Woldijk, een euritmiste van Nederlandse afkomst die in Engeland woonde en werkte. Nadat ik, min of meer terloops, iets had verteld over mijn zoektocht naar joodse leerlingen aan de Geert Groote School, en daaraan had toegevoegd dat ik de hoop had opgegeven ooit nog hun namen te achterhalen, kwam zij naar voren en zei kordaat: ‘Je moet Michaël Ogilvie schrijven. Hij is oud-leerling, woont in Duitsland, is ver in de tachtig, maar weet alles nog.’ Ze gaf me het adres.

Wil Woldijk had gelijk. Twee weken later ontving ik een brief in een groot, schijnbaar rommelig-gejaagd handschrift. Daarin stond een tiental namen van joodse leerlingen, per augustus 1941, netjes gerangschikt van de eerste klas tot en met de zevende, met de klassenleraar in kwestie erbij vermeld. Waar mogelijk had Ogilvie toegevoegd wie er naar zijn weten uit kampen of onderduikadressen waren teruggekomen en wie niet.

Het ging nu snel. Deborah Siegel, een leerlinge uit de eindexamenklas, hielp met de brief van Ogilvie in de hand, spontaan met het verifiëren. Haar moeder bezat de uitgave ‘In Memoriam’ van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, waarin de namen van omgekomenen vermeld staan. Daarmee kregen we zekerheid omtrent twee oudleerlingen. Het zijn:
Ruth Lisser
15 November 1928 Hamburg 11 Februari 1944 Auschwitz, en
Harry Kahn
17 Mei 1935 Amsterdam 6 September 1944 Auschwitz.

Al hebben we nu zekerheid over twee leerlingen, en over een veelvoud aan joodse leerlingen dat waarschijnlijk wèl terugkeerde uit onderduikadres of vernietigingskamp, toch is het laatste woord nog niet gesproken. Want er is altijd nog een kans dat niet álle joodse leerlingen op de lijst van Ogilvie staan. En de lijst van ‘In Memoriam’ bevat alleen die namen, waaromtrent absolute zekerheid bestaat. Daarmee gaat de zoektocht dus eigenlijk voort. Het is de vraag of deze ooit zal worden afgerond.

Dat de zoektocht naar onze joodse leerlingen nog zeker niet ten einde is, bewees een mailtje uit Australië dat ik in november 2014 kreeg. In die mail schreef Robina Fellner dat haar achterneefje Robert Kahn, leerling van de Geert Groote School, aanvankelijk met hulp van zijn leraar Carel van der Willigen was ondergedoken. Maar het adres werd verraden en Robert ging als zovelen de weg naar Auschwitz. Er is een foto van Robert Kahn, naar alle waarschijnlijkheid uit de tijd dat hij onze leerling was.
Dat betekent dat wij zijn naam zullen inkerven in een van de glazen panelen van de hal van de school: Robert Kahn 22 Mei 1931 - 6 Sept 1944, Auschwitz. Hij was toen 13 jaar.

Het lot van onze joodse leerlingen gedurende de jaren ‘40/’45 is eigenlijk niet in gewone taal te omschrijven. Je hebt een ander medium nodig om dat te benaderen. Voor de herdenking, die op Maandag 3 November 1997, de dag na Allerzielen, werd gehouden (4 Mei viel midden in een vakantie) bleek ook onder leerlingen een royale bereidheid om bij te dragen. Rashid Novaire uit 12b schreef twee gedichten. Door de euritmisten Hannah Degenaar en Juliette van Lelyveld werd die tekst, vertaald in een choreografie, uitgevoerd. Een tiental leerlingen uit klas 11 bracht een euritmieopvoering op een etude van Skriabin in een choreografie van Hannah Degenaar. De twee gedichten van Rashid Novaire zijn in glazen panelen van de balustrade in de centrale hal van de school ingekerfd. Zij luiden:

Blikken baan
omleiding van de zon
scheuren in licht.
Een rails zie ik
door een landschap gaan.
Ineens weet ik...
Ik wil wonen in mijn
gezicht.
Ik wil schuilen in
de plooien van mijn mond
wanneer ze zacht worden beroerd
wanneer iemand opstaat en zegt:
Een kind is weggevoerd.

-------------

Teder vergeten

Teder vergeten
rust in onze hand
zilverwitte lijn van de horizonrand
onder onze huid rust een verlangen
om van zoveel pijn te weten.

Hun namen zijn vermengd
met elke steen van deze school.
Lachende kinderen strelen de klanken
bij het richten
op hun goal.

Het is de lichtval op hun gezichten
die hun namen steeds
herdenkt.

Teder vergeten
rust in onze hand,
voetstappen van vroeger in het
natte zand.
Door de ijle zee met zacht gemoed
weggesleten.

Onzeker

 

Ondertussen zijn er in de verschillende brieven die ik ontving diverse namen genoemd van joodse leerlingen van de Geert Groote School waaromtrent geen zekerheid bestaat. Om een verdere zoektocht mogelijk te maken, zijn hun namen hierbij afgedrukt. Zonder hulp van derden lijkt het onmogelijk hun lot nog te achterhalen. Het zijn:

  • Geert Scheffer (ca 1928)
  • Henny van Dam (ca 1928)
  • Frankie Aaron (ca 1930)
  • Johnny Kahn (ca 1930)
  • Flora van Dal (?)
  • Guilcka … (?) Achternaam onbekend

herdenking joodse leerlingen

01 mei 2015

Tijdens periode zal een korte plechtigheid worden gehouden voor onze Joodse oud-leerlingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn omgebracht. Na een jarenlange zoektocht in de jaren negentig, vond Mark Mastenbroek uiteindelijk de namen van twee van onze oud-leerlingen die in Auschwitz waren gestorven. 

Rashid Novaire, een leerling destijds, schreef twee gedichten naar aanleiding van deze tragedie. De namen van deze twee leerlingen en de gedichten van Rashid zijn geëtst in de glazen panelen van onze centrale hal.
 
Onlangs bereikte Mark, dankzij een mail uit Australië, nog een naam van een in Auschwitz omgekomen oud-leerling. De naam van deze leerling zal worden toegevoegd op onze glazen panelen en op 1 mei zullen alle drie deze leerlingen worden herdacht.
Eén van onze huidige leerlingen zal het kaddish, de tekst voor de gestorvenen, voor hen uitspreken.
 
Hiernaast het uitgebreide verhaal van de zoektocht.